Een ongeluk zit in een klein hoekje

Werken met gevaarlijke stoffen is – de naam zegt het al – gevaarlijk. Je werkgever is dan ook verplicht om jou en je collega’s te beschermen tegen de risico’s van het gebruik van gevaarlijke stoffen. Maar als preventiemedewerker heb jij daar natuurlijk ook zelf een rol in.

Veel soorten en maten
Gevaarlijke stoffen zijn er in veel soorten en maten. Ze kunnen zitten in verpakte producten, zoals schoonmaakmiddelen, kit of verf. Daarnaast kunnen gevaarlijke stoffen tijdens het werk ontstaan. Dan gaat het bijvoorbeeld om lasrook, hout- en kwartsstof. Als preventiemedewerker moet je je ervan bewust zijn dat deze stoffen gezondheidsschade kunnen opleveren. Je werkgever moet dan ook overmatige blootstelling aan deze stoffen voorkomen. Hoe streng de regels zijn, is afhankelijk van de soort stof en de risico’s. Een belangrijke voorwaarde om veilig te kunnen werken met gevaarlijke stoffen, is dat alle werknemers weten met welke stoffen wordt gewerkt, wat de risico’s zijn, hoe ze met die stoffen moeten omgaan en hoe ze de stoffen moeten opslaan.

Houd rekening met aansprakelijkheid
Als je werkgever onvoldoende maatregelen neemt voor de omgang met gevaarlijke stoffen, is hij ook met terugwerkende kracht aansprakelijk te stellen. Denk er ook aan dat het BHV-beleid en het bedrijfsnoodplan rekening moeten houden met de mogelijke gevaren van de in het bedrijf aanwezige gevaarlijke stoffen.

Je werkgever is verplicht om voor elke stof op de werkplek te bepalen of de blootstelling mogelijk te hoog is en dus gevaar kan opleveren voor jou en je collega’s. De kans is groot dat je werkgever deze taak bij jou heeft belegd. Bij deze risico-inventarisatie kun je een aantal hulpmiddelen gebruiken. Denk aan etiketten, informatie die je via de leverancier krijgt, de Stoffenmanager, via een meting of met hulp van een adviesbureau.

Controleer etiketten
Op de verpakking van producten staat onder meer of het product stoffen bevat die gevaarlijk zijn volgens de etiketteringsrichtlijnen. Deze richtlijnen zijn echter indicatief; ze geven dus geen zekerheid. Stoffen zijn ingedeeld in de volgende gevaarcategorieën:

  • brandgevaarlijke stoffen (R10 tot en met R12); 
  • toxische en extreem toxische stoffen (R23 tot en met R28);
  • oxiderende stoffen (R8);
  • schadelijke/irriterende en corrosieve stoffen (R20 t/m R22 en R34 t/m R38).

Nieuwe etiketteringsverordening
De nieuwe etiketteringsverordening – ook wel het Verdrag betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels (EU-GHS/CLP) genoemd – bepaalt dat producten op een nieuwe manier moeten worden ingedeeld en geëtiketteerd. De etikettering van de meeste stoffen moest vóór 1 december 2010 zijn voltooid en die van mengsels op 1 juni 2015.

 

Informatie via leverancier 
De leverancier is verplicht om in bepaalde gevallen een veiligheidsinformatieblad (VIB) bij het product te leveren. Bijvoorbeeld als de stof of het preparaat als gevaarlijk is aangemerkt. Het veiligheidsinformatieblad bevat gedetailleerde informatie over de risico’s van het product voor de veiligheid en gezondheid van de gebruiker. Overigens gaat het hierbij om algemene informatie. Het informatieblad bevat niet altijd álle risico’s van stoffen, en zeker niet over de risico’s van blootstelling op de individuele werkplek. De bladen kunnen je natuurlijk wel helpen bij het opstellen van de RI&E.

Stoffenmanager 
De Stoffenmanager biedt uitgebreide informatie over veilig werken met gevaarlijke stoffen. Daarmee slaat de Stoffenmanager een praktische brug tussen de vaak abstracte wet- en regelgeving en de naleving ervan in de praktijk.

Meting of adviesbureau 
Om inzicht te krijgen in de mate van blootstelling aan gevaarlijke stoffen kun je ook een meting laten uitvoeren. Bestaat er geen wettelijke grenswaarde voor de aanwezige stoffen, dan moet je daarnaast zelf bedrijfsgrenswaarden opstellen of laten opstellen. Een arbodienst of gespecialiseerd adviesbureau kan je hiermee helpen.

Blijkt uit de risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E) dat jij en je collega’s met gevaarlijke stoffen werken, dan is het verplicht om voor het nemen van maatregelen de hiërarchische arbeidshygiënische strategie te volgen. Deze strategie bestaat uit vier stappen.

  • Stap 1: vervangen (bronmaatregelen): als eerste is het zaak dat je nagaat of je de gevaarlijke stof kunt vervangen door een veiliger alternatief. Je probeert de bron van het probleem dus aan te pakken.
  • Stap 2: collectieve maatregelen: zijn bronmaatregelen niet mogelijk zijn, dan kun je de blootstelling aan de gevaarlijke stof verminderen door collectieve maatregelen te nemen. Bijvoorbeeld door afscherming of door een afzuiginstallatie te laten plaatsen. 
  • Stap 3: individuele maatregelen: als collectieve maatregelen niet mogelijk zijn of geen goede oplossing bieden, is het zaak om individuele maatregelen te treffen. Je werkgever kan het werk bijvoorbeeld zo organiseren dat werknemers minder risico lopen. Dit wordt ook wel taakroulatie genoemd.
  • Stap 4: persoonlijke beschermingsmiddelen: hebben de bovenste drie maatregelen geen effect? Dan is je werkgever verplicht om gratis persoonlijke beschermingsmiddelen te verstrekken. Denk hierbij aan adembescherming of handschoenen. Over het algemeen geldt dat dit alleen als tijdelijke maatregel mag worden ingezet.

Toezicht houden
Belangrijk is dat je tijdens het werk met gevaarlijke stoffen in de gaten houdt of iedereen zich houdt aan de voorgeschreven werkwijze. Let daarbij ook op of iedereen gebruikmaakt van de noodzakelijke persoonlijke beschermingsmiddelen. Ook moet je er rekening mee houden dat er voor bepaalde categorieën medewerkers specifieke regels gelden, in het bijzonder voor jeugdigen, zwangere werknemers en werknemers die borstvoeding geven.

Voorlichting is verplicht!
Als preventiemedewerker moet je collega’s die met gevaarlijke stoffen werken regelmatig voorlichten en instrueren over de aard van de stoffen, hoe zij ermee moeten werken en welke veiligheidsmaatregelen noodzakelijk zijn. Collega’s die met gevaarlijke stoffen werken, zijn verplicht om deze instructies op te volgen en veilig en gezond te werken.

 

Gebruiksverpakkingen van gevaarlijke (afval)stoffen moeten een gevaarsaanduiding (etiket) hebben. Wordt de gevaarlijke stof binnen je bedrijf overgetapt in een kleinere verpakking, dan moet ook deze verpakking een gevaaretiket krijgen. Als preventiemedewerker doe je er goed aan om regelmatig te controleren of dit ook daadwerkelijk gebeurt. Zo niet, neem dan maatregelen.

Let op het etiket!
Etiketten moeten dus niet alleen aanwezig zijn op de aangeleverde producten. Ze moeten ook zitten op de binnen je bedrijf aanwezige voorzieningen voor gevaarlijke (afval)stoffen.

 

Wat staat er op het etiket?
Een etiket moet voorzien in van:

  • de naam van de stof;
  • een bijbehorend symbool (van voorgeschreven afmetingen en kleurgebruik);
  • R-zinnen en/of H-zinnen: deze beschrijven de gevaren van het product; 
  • S-zinnen en/of P-zinnen: deze beschrijven de te nemen maatregelen bij gebruik; 

Zorg er ook voor dat een etiket onuitwisbaar, goed zichtbaar en goed leesbaar is en stevig is aangebracht.

Als preventiemedewerker moet je niet alleen in de gaten houden of je collega’s veilig werken met de gevaarlijke stoffen. Ook is het belangrijk dat de opslag van gevaarlijke stoffen goed is geregeld. Zo moeten de opslagvoorzieningen voor (verpakte) gevaarlijke stoffen voldoen aan de eisen uit de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 (PGS15).

Grote en kleine opslag
De Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 bevat de eisen voor brandveiligheid, arbeidsveiligheid en milieuveiligheid. PGS15 onderscheidt grote en kleine opslag (tot 10 ton). Bij een kleine opslag is in veel gevallen een basisvoorziening voldoende. Let er wel op dat er in bepaalde situaties – vanaf een opslaghoeveelheid van 2,5 ton – een geavanceerd branddetectiesysteem wordt geëist.

Volg de voorschriften
Voorschriften voor de opslag van gevaarlijke stoffen zijn ook opgenomen in de omgevingsvergunning (een andere naam voor de milieuvergunning). Hieronder volgt een aantal voorschriften voor de opslag van veelvoorkomende categorieën gevaarlijke stoffen:

  • Je moet schadelijke/irriterende en corrosieve stoffen opslaan in aparte kasten. 
  • Het is zaak om stoffen die met elkaar kunnen reageren van elkaar gescheiden te houden. 
  • Bijzondere categorieën risicovolle stoffen moet je opslaan in een zogenaamde veiligheidskast. 
  • Bij de opslag van vloeistoffen (en zeker bij vluchtige, brandgevaarlijke vloeistoffen) moet de kast voorzien zijn van ventilatie met afvoer op de buitenlucht. 
  • Je moet brandgevaarlijke stoffen opslaan in een minimaal zestig minuten brandwerende veiligheidskast. 
  • Zeer toxische stoffen moeten in een afgesloten, apart deel van de veiligheidskast worden opgeslagen.
  • Bewaar oxiderende stoffen in kleine hoeveelheden in flessen/potten. 
  • Bestrijdingsmiddelen en bepaalde geneesmiddelen moeten verplicht in een afgesloten kast of ruimte worden opgeslagen. Zorg er ook voor dat het sleutelbeheer goed is geregeld.

Werkvoorraad op de werkvloer
Hoewel de gevaarlijke stoffen in de opslagruimte moeten worden bewaard, is het toch toegestaan om een werkvoorraad van de gevaarlijke stof op de werkvloer te bewaren. Belangrijk is wel dat deze voorraad in een gesloten verpakking zit en dat die verpakking is voorzien van het juiste etiket. De hoeveelheid mag niet meer zijn dan het verbruik voor één dag of één batchvoorraad.

Veiligheid voor alles
Houd in de gaten dat de werkvoorraad op een veilige plaats staat. De werkvoorraad mag zich bijvoorbeeld niet bevinden in de rijroute van vorkheftrucks of andere transportmiddelen.

Sommige gevaarlijke stoffen brengen explosiegevaar met zich mee. Hierbij gaat het om stoffen of preparaten die door slag, stoot, wrijving, vonk of open vlam tot ontploffing kunnen komen of om stoffen die in bepaalde mengsels of bij bepaalde temperaturen en concentraties explosief kunnen reageren. 

Niet explosief, wel ontplofbaar
Houd er rekening mee dat er ook stoffen zijn die niet als explosief worden aangemerkt, maar die onder bepaalde omstandigheden wel tot een ontploffing kunnen leiden. Bijvoorbeeld in een fijn verdeelde toestand of in dampvorm.

 

Meten is weten
Als jij en je collega’s met dit soort gevaarlijke stoffen werken, moet je alert zijn op explosiegevaar. Belangrijk om te weten is dat je gasexplosiegevaar kunt meten met een explosiemeter (ook wel LEL-meter genoemd).

Maatregelen nemen
Hoofdstuk 3, paragraaf 2a van het Arbobesluit verplicht je werkgever om maatregelen te nemen om jou en je collega’s te beschermen tegen explosiegevaar. Als preventiemedewerker kun je denken aan de volgende maatregelen:

  • Vervang de brandbare stof door een stof met mindere en/of geen brandbare eigenschappen. 
  • Houd de brandbare stof binnen de omhulling en laat het niet mengen met de omgeving van de installatie. 
  • Gebruik een ventilatiesysteem. Zo sluit je explosiegevaar uit, omdat de concentratie van de onderste explosiegrens niet wordt bereikt. 
  • Door onder zuurstofarme condities – dit wordt ook wel inertiseren genoemd – te werken, kun je explosiegevaar uitsluiten. 
  • Haal ontstekingsbronnen weg op plaatsen waar zich explosiegevaar kan voordoen. Je kunt er ook voor zorgen dat de ontstekingsbronnen voldoen aan een passend beschermingsniveau, zodat de kans op ontsteking voldoende afneemt.

Misschien sta je er niet bij stil, maar ook nanodeeltjes kun je beschouwen als gevaarlijke stoffen. Nanodeeltjes zijn zeer kleine stofdeeltjes van 1 tot 100 nanometer (1 nanometer is een miljoenste millimeter). Proefdieronderzoek heeft aangetoond dat blootstelling van de luchtwegen aan bepaalde soorten nanodeeltjes ontstekingen en/of tumoren in de longen kan veroorzaken. Helaas is over de gezondheidsrisico’s van nanodeeltjes voor mensen over het algemeen nog niet veel bekend.

Wat zijn nanodeeltjes?
Sinds de opkomst van de nanotechnologie worden nanodeeltjes steeds vaker doelbewust gefabriceerd voor onderzoek, producten of productieprocessen. Veelgebruikte materialen voor nanodeeltjes zijn metaaloxides, silicium of koolstof. Maar eigenlijk kunnen de deeltjes van zeer veel verschillende elementen worden gemaakt. Nanodeeltjes zijn onder meer te vinden in verbrandingsproducten, zoals dieseluitlaatgassen of lasrook. Werknemers kunnen hieraan worden blootgesteld. Ook werknemers die gericht met nanodeeltjes werken, in bijvoorbeeld onderzoeksinstellingen of in de chemische industrie, kunnen aan de stofjes worden blootgesteld.

 

Neem de risico’s op in de RI&E
Omdat werkgevers verantwoordelijk zijn voor de bescherming van hun medewerkers, is het zaak dat jij als preventiemedewerker de risico’s van nanotechnologie en nanodeeltjes opneemt in de risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E). Je kunt bij het nemen van maatregelen – gezien de onzekerheid over de risico’s en effecten – het beste het uitgangspunt hanteren dat de blootstelling aan nanodeeltjes minimaal moet zijn.

Inventarisatie 
Bij het opstellen van de RI&E kun je gebruikmaken van de nano-module van de Stoffenmanager. Hiermee kun je een blootstellingsinschatting maken. In de afgelopen jaren is de meetapparatuur voor nanodeeltjes verbeterd. Hierdoor zijn er meer mogelijkheden om onderzoek te doen naar de mogelijke blootstellingen aan nanodeeltjes. Helaas is er op dit moment nog onvoldoende wetenschappelijke kennis beschikbaar om gezondheidskundige grenswaarden vast te stellen voor de maximale blootstelling voor mensen die werken met nanomaterialen.

Maak gebruik van de arbeidshygiënische strategie
Om de blootstelling aan nanodeeltjes te minimaliseren, moet je de arbeidshygiënische strategie volgen. Zie hiervoor de paragraaf ‘Arbeidshygiënische strategie’.